12 jaar voor moord op Thaise Irene

Irene-tangMarco H. (21) uit Amsterdam is door de rechtbank in Amsterdam veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf voor de moord op de Thaise transseksueel Irene (41) en diefstal uit de woning van het slachtoffer. Het Openbaar Ministerie had vijftien jaar geëist. De veroordeelde heeft bekend het slachtoffer te hebben mishandeld.

Het lichaam van Irene werd 15 juli aangetroffen in een woning aan de Bethaniënstraat op de Amsterdamse Wallen. Onderzoek wees uit dat de transseksueel om het leven was gebracht.

Marco H. heeft voor de rechtbank bekend dat hij het slachtoffer heeft geslagen, geschopt, gewurgd en een handdoek in de mond heeft gepropt. De Thaise is als gevolg hiervan overleden. De rechter oordeelt dat H. de transseksueel ‘opzettelijk en met voorbedachte rade om het leven heeft gebracht’ en dus sprake is van moord.

Het leven van het slachtoffer is volgens de rechter door de daden van H. tot een ‘gruwelijk einde’ gekomen. "Na afloop van deze grove en zinloze daad heeft verdachte nog de geest gehad om zijn sporen veilig te stellen en onder meer geld en sieraden mee te nemen", stelt de rechter in het vonnis. H. zou geld, twee telefoons, een geldkluis en sieraden hebben gestolen.

Marco H. is een oud-portier van de Exit, de homokroeg in de Reguliersdwarsstraat waar de Irene als barvrouw werkte.

Na de moord verdween uit het huis van Irene een kluis met kostbaarheden. Die kluis is op aanwijzing van de arrestant in het Flevopark uit het water gevist.

Irene werd in de nacht van 14 op 15 juli dit jaar door vrienden dood in haar woning in de Bethaniënstraat op de Wallen aangetroffen. Ze was aangekleed en lag onder een deken op de bank, met verwondingen aan het gezicht en was met messteken om het leven gebracht.

Irene werkte als barvrouw in homobars Soho en Exit in de Reguliersdwarsstraat en was een bekende in het uitgaansleven.

De moord bracht een schok teweeg. Vrienden organiseerden eind juli een herdenkingstocht. Voor haar huis werd een klein altaar ingericht waar vrienden onder meer bloemen, foto’s, Thaise eetwaar, kaarsen en een sigaar neerzetten.

Irene, die een cursus Nederlands volgde, was in 1998 naar Nederland gekomen. Daarvoor runde ze in Thailand een eigen bar-disco.

‘’Ze kwam voor het vrije en goede leven,’’ aldus vrienden. ‘’Ze had ook een Nederlandse jongen leren kennen, met wie ze een relatie had.’’

Overdag kleedde Irene, die door vrienden ook wel Tang werd genoemd, zich simpel, in een spijkerbroek met een T-shirt. ‘s Avonds was ze op en top vrouw.

Advertisements

13 jaar voor Kofferbakmoord op Ger Douven

Harold R. is door de rechtbank in Maastricht veroordeeld tot 13 jaar voor de moord op Ger Douven (51) uit Schinveld op 12 maart 2003 te Schinveld, in de gemeente Onderbanken.

In de zaak zijn reeds een aantal anderen veroordeeld, maar in een tussenvonnis besloot de rechtbank dat Harold –een Bosnië veteraan- eerst nog onderzocht moest worden in het Pieter Baan Centrum.

Harold handelde in opdracht van de ex-vrienin van Ger Douven, Rhonda K. en kreeg daarvoor 13.500 euro. De zaak zou waarschijnlijk nooit aan het licht gekomen zijn als de vrouwen er niet over waren gaan roddelen.

Verdachte uitspraak eerste aanleg hb veroordeeld voor Vonnis
Rhonda K 12 jaar 14 jaar moord Vonnis
25-3-2005
Tiny H. 8 jaar 7 jaar opzettelijke uitlokking van moord door het verschaffen van inlichtingen Vonnis
25-3-2005
Ray H. 9 jaar 7 jaar uitlokken moord Vonnis
25-3-2005
Jose P. 10 jaar 10 jaar medeplegen van moord Vonnis
25-3-2005
Andrea van der K. 360 dagen waarvan 133 voorwaardelijk en volgen van cursus ‘opkomen voor je mening’ en ‘uiten van kwaadheid’ nvt behulpzaam geweest bij het leggen van contact tussen Rhonda K en Harold R. middels een GSM Vonnis
25-3-2005
Harold R. Voortzetting onderzoek   moord Vonnis
25-3-2005
Harold R. 13 jaar 13 jaar moord Vonnis
15-2-2006

Lucia de B, schuldig of niet

Marian Husken en Freke Vuijst
Is Lucia de B de ‘engel des doods’ voor wie justitie haar hield? Zeven moorden en drie pogingen tot moord werden bewezen geacht. Het begon allemaal met de aanklacht over de dood van baby A. Hoe onnatuurlijk was dit overlijden eigenlijk? VN ging op onderzoek uit en sprak met een Nederlandse en Amerikaanse forensisch deskundige.

Tot op de dag van vandaag houdt Lucia de B. vol dat ze onschuldig is. De verpleegster werd op 5 september 2001 aangehouden. Drie jaar later veroordeelde het Haagse gerechtshof haar voor de moord op zeven van haar patiënten, onder wie enkele kleine kinderen. Ze kreeg levenslang en een gedwongen tbs-behandeling. Haar advocaten vinden dat ze geen eerlijke kans kreeg van de rechters en gingen in cassatie bij de Hoge Raad.
Eind deze maand wordt er een uitspraak verwacht van dit hoogste rechtscollege. Maar als het cassatieberoep zou worden verworpen, zijn nieuwe feiten nodig om alsnog een nieuw proces te krijgen. Die nieuwe feiten zijn er nu al, ontdekte Vrij Nederland.

Voor de nabestaanden van de overleden ­patiënten moet het vreselijk zijn als alles ­inderdaad opnieuw wordt opgerakeld. Maar de gedegen medische research van de arts M. de Noo van het actiecomité dat vindt dat Lucia de B. ten onrechte vastzit, was voor Vrij Nederland reden om te rade te gaan bij prof.dr. D.R.A. Uges, klinisch en forensisch toxicoloog-farmacoloog in Groningen. Ook spraken we met een Amerikaanse vakgenoot van hem, prof.dr. A. Dasgupta, die meermalen met succes optrad voor de aanklagers in ­vergiftigingszaken. Aan de hand van hun reacties concluderen we dat Lucia de B. tenminste recht heeft op een nieuw onderzoek: er zijn inmiddels twijfels over de forensische bewijsvoering.

‘Compulsie tot doden’

Het begon met het plotselinge overlijden van baby A. in het Haagse Juliana Kinderziekenhuis (JKZ) in de nacht van 4 september 2001. Aanvankelijk dachten de artsen aan een natuurlijke dood, maar al snel kwamen de twijfels. Patiënten stierven wel erg vaak als Lucia de B. dienst had, redeneerde men: zo ontstond de verdenking tegen haar als serial killer. Het ziekenhuis deed aangifte tegen De B. die het kind had verpleegd. Een niet alledaagse onderzoeksgang: wordt er doorgaans naar aanleiding van een delict naar verdachten gezocht, nu werd naar aanleiding van de verdenking niet gezocht naar andere verdachten, maar naar nog meer slachtoffers die aan Lucia de B.’s ‘compulsie tot doden’ konden worden toegeschreven. De doodsoorzaken van dertig reeds overleden patiënten werden gewijzigd van ‘natuurlijk’ tot ‘onwaarschijnlijk’. Al snel moesten zestien van deze ‘slachtoffers’ van de ‘engel des doods’ overigens weer van de aanklacht worden geschrapt. Ze had er niet mee van doen gehad.

Vergiftiging

Het meest recente onderzoek van de arts De Noo wijst uit dat de ‘slachtoffers’ van De B. zwaar ziek waren. De vier ouderen leden aan kanker en/of hadden koorts, long- en/of hartproblemen. De jonge kinderen waren geboren met hersenletsel, hadden bloedingen, koorts en/of problemen met de luchtwegen. Al deze aandoeningen kunnen leiden tot een natuurlijke dood. Pas na de dood van baby A. werd er bij andere overlijdensgevallen óók gesproken van vergiftiging. Zoals bij kleuter A., een jongetje van 5 jaar; uit nadere research van het comité van De Noo blijkt dat zijn dood ook veroorzaakt kan zijn door de bijwerkingen van een geneesmiddel dat in zeer hoge dosis was voorgeschreven (een ander middel dan bij baby A.), of door stapeling van medicijnen. De 2-jarige peuter K. zat toen hij in 2000 stierf bij De B. op schoot. Eerder had hij ook al epileptische aanvallen gehad. De verpleegster gaf hem zijn medicatie en nam meteen de bloeddruk op. Een normale situatie. Maar omdat het om De B. ging, werd dit een jaar later als zeer verdacht beschouwd.

Vrij Nederland beperkt zich in dit artikel tot de dood van baby A., die cruciaal is voor de verdere verdenking van Lucia de B.. Over het overlijden van baby A. blijkt meer te vertellen dan destijds bij de rechters is gebeurd. De vraag dringt zich op: hoe zou het OM tegen die overige ‘onnatuurlijke’ doden hebben aangekeken als er meteen aanwijzingen waren geweest dat Lucia de B. misschien niet de dood van baby A. op haar geweten zou hebben gehad?

Gerezen twijfels

Baby A. wordt op 12 maart 2001 geboren. Op 16 juli wordt ze aan haar hartje geopereerd in het Leids Universitair Medisch Centrum. De baby krijgt daarna het hart­versterkende middel digoxine voorgeschreven. Na negen dagen volgt de overplaatsing naar het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag. Hier verandert de medicatie en wordt aan het kind onder meer kalium gegeven. Het genezingsproces lijkt aanvankelijk goed op gang te komen, maar toch mag het meisje medio augustus nog niet naar huis. Ze is nog ‘zuurstofafhankelijk’. Uit de verpleegkundige notities blijkt dat het vanaf 21 augustus ineens een stuk minder met haar gaat. Het kindje moet regelmatig overgeven. Volgens haar moeder heeft ze ook pijn in haar buik. Een paar dagen later is het buikje inderdaad bol en pijnlijk. Ze krijgt eveneens last van diarree. Haar moeder en Lucia de B. maken zich zorgen om het baby’tje dat zich overduidelijk niet goed voelt en verhoging heeft.

De B. heeft in de nacht van 3 op 4 september nachtdienst. Ze slaat om elf uur al alarm. De baby heeft diarree en spuugt haar sondevoeding uit. Uit voorzorg legt De B. haar aan de hartmonitor. Om 1.00 uur komen een ­kinderarts en een assistent. Maar volgens hen is A. niet ernstig ziek. Voor de zekerheid wordt er wel een infuus ingebracht met een kaliumoplossing. Om tien over twee wordt er bij A. bloed afgenomen voor nader onderzoek. Ongeveer veertig minuten later is er sprake van een acute crisis. De baby heeft moeite met ademhalen, haar hartritme neemt af. Ze krijgt een spuitluier en wordt asgrauw. Om 2.53 uur staat het hartje stil. Reanimatie baat niet meer. Tijdens de verwoede poging om haar weer tot leven te wekken, wordt er via het infuus nog een (niet nader genoemde) medicatie toegediend. Om 3.35 uur wordt de dood vastgesteld.

Meteen na de dood van A. worden het kalium-­infuus, de slang en de in de kamer aanwezige spuiten onderzocht in het ziekenhuislaboratorium. Misschien heeft het apparaat niet goed gewerkt. Er is een vermoeden van een kaliumvergiftiging. De patholoog-­anatoom van het ziekenhuis begint met een onderzoek, maar stopt voortijdig omdat het vermoeden rijst van een onnatuurlijke dood. Op het lichaampje blijken geen andere sporen van een injectienaald te vinden dan die van het infuus. Door de gerezen twijfels wordt De B. de volgende dag met onmiddellijke ingang geschorst.

Slordig ingevuld

Het Hof stelde op 18 juni 2004 vast dat Lucia de B. ‘in haar compulsie tot doden’ de baby op 4 september 2001 tussen 1.16 uur en 1.46 uur een overdosis digoxine had toegediend. Ze deed dat via het kraantje op de injectienaald van het infuus waardoor het meisje kalium kreeg. Niemand heeft De B.­ ­deze dodelijke handeling daadwerkelijk zien uitvoeren.

Het onderzoek naar de doodsoorzaak van baby A. werd gedaan door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Vijfenvijftig uur nadat de dood intrad, belandde het lijkje hier op de snijtafel. Het bloed dat vlak voor het overlijden was afgenomen, bleek niet te zijn bewaard. Voor het gerechtelijke onderzoek werd daarom bloed ‘geperst’ uit verbandgaasjes die kennelijk bij de obductie in het ziekenhuis in het lichaampje waren achtergelaten. De NFI-arts viste ze op uit de buikholte. Hoe ze op die plaats terecht kwamen, is niet duidelijk. Tijdens de sectie in het ziekenhuis zou het hartje van A. plotseling hevig zijn gaan bloeden. Er waren gaasjes nodig geweest om het bloed te stelpen, zo luidde een verklaring. Maar de ziekenhuispatholoog zei dat hij nooit met gaasjes werkte. De vraag waar die stukjes verband dan vandaan kwamen, is nooit bevredigend beantwoord.
Het bloed uit de gaasjes werd in een potje gedaan dat werd ingevroren. Net als zijn ziekenhuiscollega stelde de patholoog-anatoom van het NFI vast dat er géén andere prikgaatjes in de huid waren te vinden dan die van de injectienaald van het kaliuminfuus.

De patiëntengegevens van A. waren met de hand bijgehouden en soms erg slordig ingevuld. In plaats van de gebruikelijke hoeveelheid mmol. (millimol) kalium, staat er zelfs een keer alleen ‘mol’ vermeld (een vergissing, als deze duizendvoudige hoeveelheid werkelijk was gegeven, zou dat acuut dodelijk zijn geweest voor het kind). Tot 2002 werd gedacht dat Lucia de B. het kind vergiftigd zou hebben met een overdosis kalium, pas daarna kwam de verdenking van een digoxine-intoxicatie. Het in 2001 ingevroren bloed werd in 2002 en 2003 gebruikt om opnieuw de doodsoorzaak van baby A. vast te stellen.

Effectief moordwapen

Het actiecomité van De Noo stelde publiekelijk de betrouwbaarheid van de digoxine-meetmethoden aan de orde. Men denkt dat men nu ook een ‘novum’, een nieuw feit dat belangrijk is voor de rechtsgang, heeft gevonden, vertelt de arts aan VN: het lichaam maakt namelijk zelf ook stoffen aan die lijken op digoxine (DLIS). Zeker jonge kinderen met de aandoeningen van baby A. hebben zulke stoffen in hun organen. Is daar eigenlijk bij de testen van het NFI wel rekening mee gehouden, vraagt ze zich af. Geen bij het Hof gehoorde getuige-deskundigen is daarnaar gevraagd. Inmiddels stellen niet alleen zij en haar medestanders kritische vragen over omissies in de rechtsgang.

‘Ik was door de rechtbank en het Hof uitgenodigd als getuige-deskundige om antwoorden te geven over een mogelijk kaliumvergifting,’ vertelt professor D.R.A. Uges van het Universitair Medisch Centrum Groningen. ‘En toen begonnen ze ineens ook over digoxine. Maar daarover had ik vooraf nooit alle stukken of rapporten mogen inzien. Pas na het proces kwam ik er door toeval achter dat bewijsmateriaal was achtergehouden.’

Op basis van wat hij wel inzag, stelde Uges vast dat er sprake zou kunnen zijn geweest van een kaliumvergiftiging, al was daarvoor niet direct een wettig en overtuigend bewijs voorhanden. ‘Kalium is een belangrijke stof. Zowel een te hoog als een te laag gehalte kan noodlottige gevolgen hebben. In een ziekenhuis wordt daarom het kaliumgehalte van een patiënt regelmatig gecontroleerd en indien nodig direct aangepast.’ Kalium kan daardoor ook een effectief en moeilijk te traceren moordwapen zijn, vertelt de hoogleraar. ‘Als die mevrouw De B. echt zo gemeen en sluw was als iedereen beweert, zou ze die baby kalium hebben moeten geven. Want bij een verhoogd kaliumgehalte is het voor een deskundige heel lastig vast te stellen wat de doodsoorzaak is.’

Hij legt het uit. Niet lang nadat een overdosis kalium wordt ingespoten, komt iemand te overlijden. Na iemands dood gaan zijn ­lichaamscellen kapot. Tijdens dat proces komt eveneens kalium vrij en dat kan dus ook een verhoogd kaliumgehalte opleveren.

Onzuiver beeld

Klinisch en forensisch toxicoloog-farmacoloog Uges is een onafhankelijk opererende forensisch patholoog in Nederland (Het NFI claimt ook onafhankelijk te zijn, maar valt officieel wel onder het ministerie van Justitie). Afgelopen jaar nog kreeg hij een prestigieuze internationale prijs op zijn vakgebied. Zijn niet minder eminente collega-hoogleraar F.A. de Wolf uit Leiden was door het Hof belast met de studie van het NFI-dossier van baby A. De Wolf kwam tot de conclusie dat er geen sprake was geweest van een kaliumvergifting. De baby was gestorven door een overdosis digoxine.

Uges: ‘De Wolf nam mij kwalijk dat ik in de rechtszaal mijn twijfels heb geuit over de hoogte van het digoxinegehalte dat was vastgesteld uit het bloed uit de verbandgaasjes. Ik voerde hiervoor aan dat dit bloed een onzuiver beeld zou kunnen geven. Het bloed zou afkomstig zijn geweest van het hart, maar in dat orgaan kunnen zich allerlei stoffen concentreren. Bovendien ging het om ingevroren bloed. Bij het ontdooien zou er dus sprake kunnen zijn geweest van verdamping. Het gevonden digoxinegehalte zou ook daardoor hoger uitgevallen kunnen zijn. De andere onderzoeksgegevens waarover De Wolf beschikte en waaruit zou blijken dat ook digoxine in de lever was gevonden, zijn mij onthouden. Ik vind dat uiterst merkwaardig.’

Uges zag pas na de rechtszaak de patiëntgegevens van het overleden kind. ‘Dat was een rommeltje en slecht leesbaar. Het kan dus best zo zijn dat in de uiterst kritische situatie waarin het kind verkeerde er toch digoxine is gegeven. Misschien heeft men het vergeten op de kaart te schrijven. Digoxine is een dusdanig normaal hartversterkend middel dat je je afvraagt waarom men het niet zou hebben gegeven. Al zijn daar wel risico’s aan verbonden,’ zegt hij. Als het kindje door het spugen en de diarree al een verlaagd kaliumgehalte had, zou het gevoeliger kunnen zijn voor digoxine, stelt hij. ‘Als het middel op zo’n moment wordt toegediend, is er kans op een digoxinevergiftiging. En tegelijkertijd kan er daardoor ook weer een verhoogd kaliumgehalte ontstaan.’
Een opmerkelijke veronderstelling van Uges.

Wettig en overtuigend

Tijdens de rechtszaak stelde de behandelend arts van baby A. dat hij het medicijn digoxine niet had voorgeschreven. Het middel stond ook niet op de patiëntgegevens van ­baby A.

Deskundige De Wolf reageerde eind vorig jaar op de publieke kritiek van het comité en hield in NRC Handelsblad vol dat de rechters deskundig waren geweest en ‘zeer zorgvuldig omgingen met de lastige materie’. Uges denkt daar anders over. Hij heeft inmiddels officieus zijn bezwaar kenbaar gemaakt, zegt hij, tegen het feit dat hem als getuige-deskundige voorhanden zijnde informatie is onthouden. ‘En dat er desondanks door het Hof over dat deel ook vragen aan mij zijn gesteld. Het Hof vindt dat het wettig en overtuigend bewezen is dat Lucia de B. de dader is en digoxine heeft ingespoten. Ik vind dat er twijfels blijven. Ik kan op dit moment niet zeggen dat zij het wettig en overtuigend niet heeft gedaan, noch dat zij het wel heeft gedaan. Maar je sluit in Nederland iemand pas op in de gevangenis – zeker levenslang – als het wettig en overtuigend bewijs is geleverd.’

Grensgeval

De Amerikaanse collega Van De Wolf en Uges, dr. A. Dasgupta, verbonden aan de Universiteit van Texas in Houston, schrikt als hij kennis neemt van deze Nederlandse discussie. Volgens Dasgupta zou Lucia de B. in de Verenigde Staten nooit zijn veroordeeld, tenzij ze had bekend of als er getuigen waren geweest die haar een dodelijke injectie hadden zien geven. ‘Er zijn te veel twijfels en gaten in de bewijsvoering over de doods­oorzaak van baby A.’

VN nam contact op met de Texaan omdat Dasgupta in de vakliteratuur veel heeft gepubliceerd over de verschillende methoden om de aanwezigheid van digoxine in bloed te testen. Juist omdat het lichaam ook digoxine produceert (DLIS) kan een test een vals positieve uitslag opleveren. Het bloed van baby A. is drie keer getest; door het NFI en twee andere Nederlandse laboratoria. Er werden drie verschillende methoden gebruikt. Twee leverden een hoog digoxinegehalte op, maar de test van het NFI had een veel lagere uitslag. ‘Dit is een grensgeval,’ concludeert Dasgupta. ‘Hieruit mag je niet de conclusie trekken dat er sprake is van een vergiftiging. Het kan wel zo zijn, maar het kan ook niet zo zijn. Duidelijkheid geeft dit percentage allerminst.’ Op de vraag of de test die het meest afwijkt – de test van het NFI – genegeerd kan worden, reageert de Amerikaanse deskundige opgewonden: ‘Dat is nu juist het probleem. Die test is de gouden standaard. De meest betrouwbare test geeft een percentage dat op het randje is.’

Herkomst van het bloed

Ook op de manier waarop het bloed is verkregen – door middel van het uitpersen van gaasjes – heeft Dasgupta kritiek. ‘Contaminatie van het bloed is met een dergelijke methode een reële mogelijheid.’ Dasgupta wijst ook op een ander aspect: de onbekende herkomst van de gaasjes. ‘In Amerikaanse rechtszaken moet je de chain of custody van de forensische sporen kunnen aantonen.

Omdat je niet weet hoe en wanneer het verband in het lichaam van de baby terecht kwam, is de integriteit van het forensische bewijs aangetast. De herkomst van het bloed moet boven twijfel zijn verheven. En dat is hier zeker niet het geval.’

Dasgupta reageert helemaal fel als hij verneemt dat het doorslaggevende bewijs van de digoxinevergiftiging niet afkomstig zou zijn van het bloedmonster, maar dat het gehalte van dit middel in de lever van baby A. alles bepalend is geweest. ‘In de wetenschap staat op dit moment niet eens vast in hoeverre een hoog of laag digoxinegehalte in de lever verband houdt met een vergiftiging. En dus met iemands dood. Zo’n digoxinevergiftiging kan echt alleen maar worden gemeten en vastgesteld aan de hand van het bloed van het slachtoffer.’ En daarover bestaan dus op verschillende gronden twijfels.

Dasgupta verklaart zich tenslotte bereid om in Nederland voor de verdediging te getuigen als de zaak van Lucia de B. zou worden heropend. ‘Ik ben slechts twee keer in mijn carrière opgetreden voor een verdachte. Beide keren was ik ervan overtuigd dat deze het niet had gedaan. Ik heb in sommige zaken ook geweigerd om op te treden voor het openbaar ministerie in Texas omdat ik voelde dat het niet goed zat met hun manier van verzamelen van het bewijsmateriaal. Ik heb nog nooit ongelijk gehad als ik optrad als getuige-deskundige. Die reputatie wil ik behouden.’